Jaarverslag 2025

Deel deze pagina op

10.2 Ontwikkeling aantal studenten en medewerkers

Stabiele ontwikkeling studentenaantallen

MBO
Ondanks de landelijke demografische krimp van het aantal mbo‑studenten, blijft de instroom binnen de regio Amsterdam–Flevoland naar verwachting relatief robuust. Dit wordt verklaard door de grootstedelijke context, de blijvende vraag vanuit tekortsectoren en het brede en gedifferentieerde opleidingsaanbod van de instelling. Wel is sprake van duidelijke verschillen tussen colleges en opleidingsdomeinen. Groei concentreert zich met name in sectoren met een sterke arbeidsmarktrelevantie, zoals techniek, zorg & welzijn en veiligheid, terwijl in andere opleidingen sprake is van stabilisatie of lichte daling. 

In 2026 stijgen de ongewogen studentenaantallen naar verwachting met 4,6% (inclusief ROC TOP). Exclusief ROC TOP stijgen de studentaantallen met 5,4%. Opgesplitst naar leerweg bedraagt de stijging 3,6% voor bol-studenten en 7,9% voor bbl-studenten. De stijging van studenten die hun studie met werk combineren, zet zich naar verwachting door in 2026. Deze ontwikkeling past bij de ontwikkeling naar flexibel onderwijs en de aantrekkelijkheid van leren en werken in de praktijk. Ook in de jaren na 2026 verwachten we stabiele ontwikkeling van de studentenaantallen, met een groei voor de gezamenlijke instellingen van 4,7% in de periode 2026-2031. 

De ongewogen aantallen 2024 in onderstaande tabel zijn conform de accountantstelling 2024. De raming 2025 is gebaseerd op de interne, zogenoemde referentieraming, en laat een stijging zien van 1,0% (inclusief ROC TOP) ten opzichte van de accountantstelling van 2024. Hierbij is voor 2025 rekening gehouden met een afslag voor studenten die uiteindelijk niet voor bekostiging worden aangedragen (bijvoorbeeld als gevolg van ‘niet aantoonbaar schoolgaand’). De ramingen van 2026 tot en met 2031 zijn opgesteld door de mbo-colleges, als onderdeel van de meerjarenbegroting. De ramingen zijn opgesteld op basis van demografische ontwikkelingen, sectorontwikkelingen, verwachting van instroom en doorstroom van studenten en visies en onderwijsbeleidsplannen.

Meerjarige ontwikkeling studentenaantallen (ongewogen)

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Realisatie

Raming

Raming

Raming

Raming

Raming

Raming

Raming

ROCvA

31.389

32.231

33.954

34.888

35.370

35.566

35.786

35.924

ROCvF

5.350

5.438

5.738

5.670

5.629

5.666

5.687

5.707

ROC-TOP

880

338

55

-

-

-

-

-

Totaal mbo

37.619

38.007

39.747

40.558

40.999

41.232

41.473

41.631

Vavo

1.044

1.089

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

Ontwikkeling mbo-studenten ROCvA

2,7%

5,3%

2,7%

1,4%

0,6%

0,6%

0,4%

Ontwikkeling mbo-studenten ROCvF

1,6%

5,5%

-1,2%

-0,7%

0,7%

0,4%

0,4%

Ontwikkeling mbo-studenten ROC-TOP

-61,6%

-83,7%

-100,0%

Ontwikkeling totaal mbo

1,0%

4,6%

2,0%

1,1%

0,6%

0,6%

0,4%

Belangrijke factoren voor de verwachte groei van de studentenaantallen zijn: 

  • Groei in opleidingen met een sterke arbeidsmarktrelevantie, met name binnen techniek, zorg & welzijn, veiligheid en ICT.

  • Uitbreiding en doorontwikkeling van onderwijsconcepten zoals beroepshavo, mhbo en entreeprogramma’s, die bijdragen aan extra instroom, met name op niveau 1, 2 en 4.

  • Verbeterde doorstroom en lagere uitval in eerdere cohorten, waardoor de bezetting van hogere leerjaren toeneemt.

  • Gerichte investeringen in kwaliteit, innovatie en leermiddelen, waaronder state‑of‑the‑art faciliteiten en nieuwe onderwijsprogramma’s, die de aantrekkelijkheid van opleidingen vergroten.

  • Intensievere samenwerking met werkgevers en ketenpartners, met name binnen tekortsectoren, wat de instroom in BBL‑ en praktijkgerichte trajecten ondersteunt. 

Naast het reguliere mbo‑onderwijs speelt Leven Lang Ontwikkelen (LLO) een steeds belangrijkere rol. De vraag naar maatwerk‑ en certificeringstrajecten neemt toe, mede doordat gemeenten, werkgevers en ketenpartners de instelling steeds vaker weten te vinden als samenwerkingspartner. Hoewel deze activiteiten niet in alle colleges in dezelfde mate zijn meegenomen in de studentenaantallen, dragen zij wel bij aan de verbreding van de maatschappelijke en financiële basis van de instelling. 

De ontwikkeling van de studentenaantallen gaat gepaard met onzekerheid. Naast de positieve groeifactoren voor de komende jaren zien we ontwikkelingen die een dempend effect kunnen hebben op de studentenaantallen, zoals de landelijke demografische krimp, concurrentie van andere mbo-instellingen, beperking van beschikbare stageplaatsen en een landelijke daling in populariteit van bepaalde opleidingen, waaronder Handel en Toerisme & Recreatie. 

De raming van de studentenaantallen is een belangrijk uitgangpunt voor de financiële en formatieve meerjarenbegroting. De (gewogen) aantallen bepalen in belangrijke mate de Rijksbekostiging en vormen tevens de basis voor de begrote ontwikkeling van de formatie, de huisvesting, benodigde leer- en overige middelen. De geraamde stijging in studentenaantallen draagt in belangrijke mate bij aan een stabiele bekostiging in de komende jaren. 

Vavo
De verwachting is dat het aantal studenten de komende jaren stabiel blijft rond de 1.100 studenten. Het aantal afgegeven certificaten en diploma’s blijft naar verwachting op het streefpercentage ten opzichte van de landelijke prestaties. Dit betekent dat voor het Vavo het aandeel van het landelijk macrobudget naar verwachting constant zal blijven rond (ruim) 12%.  

Meerjarige ontwikkeling formatie
Het uitgangspunt voor de kwantitatieve en kwalitatieve personeelsplanning wordt gevormd door de studentenontwikkeling. Belangrijke aspecten hierbij zijn de planning van de kwaliteit van de onderwijsteams, het coördineren van toekomstige in- en uitstroom en het opvangen van personele fricties. De formatieve prognoses zijn in de meerjarenbegroting vertaald naar personele lasten, zie hiervoor paragraaf 9.3 Financiële Meerjarenbegroting

De formatiegegevens in de volgende tabellen betreffen het intern en extern personeel op basis van de gemiddelde fte’s per kalenderjaar. Het intern personeel betreft personeel met een vast of tijdelijk dienstverband (inclusief LIO’s). De categorie ondersteunend personeel/overige medewerkers betreft direct (DOP) en indirect onderwijsondersteunend personeel (IOP). In de aantallen van het ROCvA is het VOvA niet opgenomen.

Personele bezetting ROCvA Interne + externe fte's, gemiddeld over het jaar

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Bestuur en management

43

47

46

46

46

46

46

Personeel primair proces / docerend personeel

2.093

2.178

2.140

2.162

2.186

2.188

2.176

Ondersteunend personeel / overige medewerkers

1.111

1.141

1.104

1.109

1.114

1.110

1.100

Totale bezetting in fte

3.247

3.366

3.290

3.317

3.346

3.344

3.322

Percentage docerend personeel (% OP)

64,5%

64,7%

65,0%

65,2%

65,3%

65,4%

65,5%

Personele bezetting ROCvF Interne + externe fte's, gemiddeld over het jaar

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Bestuur en management

6

6

6

6

6

6

6

Personeel primair proces / docerend personeel

333

344

340

334

333

332

325

Ondersteunend personeel / overige medewerkers

141

141

139

136

134

129

124

Totale bezetting in fte

480

491

485

476

473

467

455

Percentage docerend personeel (% OP)

69,4%

70,1%

70,1%

70,2%

70,4%

71,1%

71,4%

Personele bezetting ROC TOP Interne + externe fte's, gemiddeld over het jaar

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Bestuur en management

0

Personeel primair proces / docerend personeel

1

Ondersteunend personeel / overige medewerkers

3

Totale bezetting in fte

4

0

0

0

0

0

0

Percentage docerend personeel (% OP)

25,9%

In augustus 2024 is het grootste deel van de medewerkers van ROC TOP overgegaan naar de instelling ROCvA. Vanuit de mbo-colleges van ROCvA wordt het onderwijs verzorgd aan de huidige ROC TOP studenten. Vanaf 2026 zijn er geen medewerkers meer binnen de instelling ROC TOP aanwezig. 

De formatie-ontwikkeling vertoont een stabiel beeld in de komende jaren. In de eerste jaren van de meerjarenbegroting worden extra middelen ingezet vanuit de bestemmingsreserves. Ook worden in 2026 - navolging van de jaren 2024 en 2025 - aanvullende interne middelen beschikbaar gesteld ter verbetering van de onderwijsrendementen. De extra inzet leidt tot een tijdelijke verhoging van de formatie in 2026, met een beperkte daling van de formatie in 2027 tot gevolg. De daling van de formatie in 2027 wordt versterkt door de gefaseerde beëindiging van de financiering van de deelprojecten van het Nationaal Groeifonds en van de RIF projecten. In de volgende jaren wordt de formatie op peil gehouden, met gerichte investeringen ten behoeve van teamontwikkeling, professionaliseringstrajecten, het stimuleren van hybride docentschap, de doorontwikkeling van digitale onderwijsvormen en verlaging van het ziekteverzuim. 

De afgelopen jaren heeft de verdeling van de formatie over de functiegroepen OP/DOP/IOP/DM een stabiel beeld laten zien. Voor ROCvA-F geconsolideerd (inclusief VOvA en ROC TOP) stijgt het relatieve aandeel onderwijzend personeel (OP) van 65,5% in de begroting van 2026 naar 66,3% in 2031. Het percentage onderwijzend personeel van instelling ROCvA is historisch gezien lager, als gevolg van de ondersteunende dienstverlening die vanuit ROCvA wordt verleend aan de instellingen ROCvF en VOvA. 

De opstelling en uitwerking van de formatieve prognoses vindt plaats in lijn met het formatiebeleid en de (financiële en formatieve) kaders en streefwaarden:

  • Als definitie hanteren we voor de loonsom de definitie van de GPL van de Benchmark MBO.

  • Minimaal 70% van de baten wordt ingezet voor de personele lasten en maximaal 30% voor materiële kosten op instellingsniveau.

  • Van zowel de totale loonsom als de totale formatie (in fte) wordt minimaal 70% ingezet voor onderwijsuitvoerend personeel (OP, zie in voorgaande tabel de categorie Docerend personeel) en 30% voor onderwijsondersteunend en managementpersoneel (DOP, IOP en D&M, zie in de tabel de categorieën Ondersteunend personeel en Bestuur/Management).

  • Voor de mbo-colleges geldt een verdeling van minimaal 80% van de formatie als de loonsom voor OP en maximaal 20% voor DOP, IOP en D&M.

  • Elk mbo-college heeft een flexibele schil van minimaal 15% en maximaal 20% in zijn totale formatie.

  • Ieder mbo-college formuleert een basis personeelsplan waarin is opgenomen hoe men de uitstroom van pensionerende medewerkers begeleidt en vrijgekomen formatie tijdig invult, met de opdracht om de continuïteit en de kwaliteit van het onderwijs te borgen en de GPL te beheersen.

Deel deze pagina op